Hoofdstuk 9

Het Dierenparadijs

De dag was aangekomen dat het konijntje helemaal gezond en sterk was. Esmee en Fleur hadden zich al aangekleed en hadden het konijntje weer voorzichtig in het mandje gestopt. Ze liepen naar beneden, waar hun ouders televisie aan het kijken waren. ‘Mogen we even een rondje gaan fietsen?’ vroeg Esmee. Papa knikte.

De meiden liepen richting hun fiets. Ze fietsten met het konijntje in hun fietsmand naar het park. Toen ze aankwamen bij de struiken waar ze het konijntje vonden, haalde Esmee het konijntje uit de mand. Daarna zette ze het konijntje neer voor de struiken, maar het konijntje rende weer terug naar Esmee en Fleur en ging op hun voeten zitten. ‘Konijntje, ga maar terug naar je familie’ zei Fleur giechelend. Ze tilde haar weer op en zette haar neer bij de bosjes, maar het konijntje weigerde te gaan. Het konijntje ging weer naar Esmee en Fleur toe. ‘Wat moeten we nu doen?’ vroeg Esmee.

Het konijntje trok opeens aan de broek van Fleur, in de richting van de struiken. ‘Ik denk dat ze wilt dat we meegaan’ zei Fleur. Esmee knikte. ‘Dan volgen we haar toch gewoon?’

De meiden volgden het konijntje naar de struiken. Het konijntje ging naar binnen. Esmee schoof de struiken aan de kant en volgde het konijntje. Het konijntje liep steeds dieper de struiken in. Dieper en dieper en dieper, totdat de struiken hun nek bereikte. Ineens zagen ze iets héél erg bijzonders. Het konijntje fluisterde iets. Dat wisten ze honderd procent zeker, want ze hoorden écht gefluister. Er flitste ineens een gat op de plek waar het konijntje en de zusjes stonden. ‘Aaaah!’ gilde Esmee. ‘Waar zijn we?’ vroeg Fleur. Het leek wel een soort ondergrondse glijbaan. Ze gleden naar rechts en toen weer naar links. Daarna hield de glijbaan op en stonden ze in een ruimte van aarde.

De zusjes keken elkaar bang aan. Ze wisten niet waar ze waren en ook niet hoe ze terug naar huis moesten. Toen de zusjes zich omdraaiden om weer naar boven te klimmen, hoorden ze ineens een zachte stem. ‘Wacht, niet weggaan! Ik moet jullie iets vertellen’. De zusjes draaiden zich om en zagen dat de mond van het konijntje open en dicht ging. Dat betekende dat zij praatte! ‘B-b-ben j-j-jij e-een p-pratend k-konijntje?’ stotterde Fleur. ‘Ja’ giechelde het konijntje. Esmee keek met open mond toe. ‘Ik ben Sarah. Ik ben een pratend konijntje, dat klopt’ zei ze.